Ricciotti Ensemble: 50/51 jaar avontuurlijk programmeren en concerteren

In 1970 gaf een ad hoc samengesteld straatorkest onder chaotische omstandigheden een concert in een weiland – geheel in de revolutionaire geest van de jaren ’60. De musici noemden zich Ricciotti ensemble, naar het eerste stuk op hun lessenaar van ene ‘Carlo Ricciotti’. – Die bij nader inzien niet de componist van het uitgevoerde werk bleek te zijn, maar de uitgever van Unico Wilhelm van Wassenaar. Dit seizoen viert het ensemble zijn 50-jarig bestaan. Een jaar te laat vanwege corona.

Het orkest had weliswaar geen dirigent of leider, maar Jur Naessens (1945-2007) fungeerde lange tijd als bezielende kracht. In vijf decennia ontwikkelde het Ricciotti ensemble zich tot een geoliede en gesubsidieerde organisatie, die zijn antiautoritaire veren echter nooit heeft afgeschud. Zo werd ik eind jaren ’90 tijdens een verrassingsconcert op Amsterdam Centraal opeens gebombardeerd tot dirigent. – Een foto van mijn ‘optreden’ verscheen zelfs in het Amsterdams Stadsblad…

Het gouden jubileum viel vorig jaar vanwege corona in het water, maar het Ricciotti ensemble haalt de schade dit jaar ruimschoots in. – Met een Gouden Jubileumtour, de video ‘Mensch, durf te leven!’, een cd en een prachtig vormgegeven jubileumblad. Hiervoor vroeg ik huidig dirigent/artistiek leider Coen Stuit en de componisten Chiel Meijering, Leonard Evers en Hugo Bouma waar een ‘typische Ricciotti-compositie’ aan moet voldoen.

50/51 jaar Ricciotti: een archief boordevol opdrachtcomposities

Het archief van het Ricciotti ensemble puilt uit van de opdrachtcomposities en dijt almaar verder uit. Het orkest verstrekt vier compositieopdrachten per jaar en genereert samen met de conservatoria van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam evenzoveel nieuwe stukken van aanstormende talenten. Sinds 2006 is er bovendien een arrangeerwedstrijd. Bestaat er eigenlijk wel zoiets als een typische Ricciotti-compositie?

Artistiek leider Coen Stuit (1981): ‘We grossieren in onmogelijkheden’

Bijna 400 opdrachtwerken heeft het Ricciotti ensemble in de afgelopen 51 jaar bij elkaar gespeeld. ‘Maar let wel, ons archief is niet altijd even zorgvuldig bijgehouden’, zegt Coen Stuit, sinds 2018 dirigent en artistiek leider. ‘Het kunnen er dus nog veel meer zijn. Evenmin weten we zeker of al die stukken echt in opdracht ontstonden, in het begin waren er sowieso veel componerende leden die al blij waren als hun stuk werd uitgevoerd.’

Coen Stuit

Het is tekenend voor de ietwat anarchistische inslag die het Ricciotti ensemble vijf decennia na zijn oprichting nog altijd kenmerkt. Ook de grondhouding is in al die jaren niet veranderd: anno 2021 blijven de musici het publiek verrassen met optredens op de meest onverwachte plekken – van lawaaiige straathoek tot drukke stationshal en van gevangenis tot zorginstelling. Stuit: ‘En altijd geldt: binnen twee minuten moeten we startklaar zijn!’

Wat er óp die muziekstandaards komt te staan is cruciaal: ‘Je moet het publiek meteen bij de lurven grijpen, of je nu een originele compositie speelt of een arrangement van Bach, Beethoven, een popsong of een kinderliedje. Dus de muziek mag niet verwaaien en moet op alle locaties goed klinken, zowel binnen als buiten.’

Vanwege al die parameters kun je inmiddels wel spreken van typische Ricciotti-stukken, vindt Stuit. Maar aan welke criteria moet zo’n compositie voldoen? ‘Ten eerste moet deze kort en bondig zijn en binnen 2 minuten uitvoerbaar. Idealiter duurt een stuk zo’n 5 à 6 minuten, maximaal 7. Bovendien is het belangrijk dat de muziek energiek en contrastrijk is en de aandacht vasthoudt. Je speelt tenslotte voor mensen die niet speciaal gekomen zijn voor een concert; met een verstild, contemplatief werk raak je ze al snel kwijt. Dat geldt trouwens ook voor de musici zelf. Zij zitten de hele dag samen in de bus om op zoveel mogelijk plekken te spelen: dat leidt tot een geweldige samenballing van energie die tot ontlading komt tijdens het optreden.’

Hoewel het publiek ongevraagd getrakteerd wordt op een concert, koestert het volgens Stuit wel degelijk verwachtingen. ‘Ons repertoire is zeer breed en we spelen in principe voor elk wat wils, maar proberen mensen ook binnen ons verrassingsoptreden toch nog extra te overrompelen. Want zodra je als orkest ergens opduikt, gaan de aanwezigen vanzelf iets verwachten. Daar spelen we mee. Zo traden we eens op voor een klassiek behoorlijk geschoold gehoor. Dat hebben we toen een medley van popsongs voorgeschoteld. Tegen onze eigen verwachting in bleek juist dit onderdeel de toehoorders het meest geraakt te hebben. Dat past bij ons streven iedereen iets mee te geven dat hij of zij niet had verwacht.’

Als er dus zoiets bestaat als een typische Ricciotti-compositie, zijn er dan ook typische Ricciotti-componisten? ‘Zeker’, zegt Stuit. ‘Mensen van het eerste uur zoals Leonard van Goudoever, Jurriaan Andriessen en Wim Witteman componeerden tegendraadse, wat brutale stukken die het antiautoritaire karakter van het orkest benadrukten. Of neem Chiel Meijering, die begon als slagwerker en meer dan dertig stukken voor het Ricciotti componeerde. Zijn werk is energiek en krachtig en heeft altijd een poprandje. Die mix van pop en klassiek ademt helemaal de geest van het orkest en hij groeide zo’n beetje uit tot hofleverancier. We spelen zijn stukken nog steeds en zetten Caixa de Dolços op onze jubileum-cd.’

Ook Leonard Evers voldoet voor Stuit geheel aan het Ricciotti-profiel. ‘Hij maakte al stukken toen hij nog trompet speelde in het orkest, waaronder een rockversie van Bachs Matthäus. Voor onze afgelaste jubileumtournee componeerde hij vorig jaar Consolaçao, een zeer geslaagde mix van klassiek en Latin jazz, gekruid met snufjes Bartók en Prokofjev; het blijft echter één geheel, het zit technisch perfect in elkaar. We brengen het de komende zomertournee in première en het komt ook op de cd.’

Als officieus huiscomponist treedt Hugo Bouma in de voetsporen van Chiel Meijering, vervolgt Stuit: ‘Hugo speelt altviool in het ensemble en is een geweldig arrangeur en componist, die ook al ruim dertig stukken heeft aangeleverd. Hij is ongelooflijk veelzijdig, kan met elk idioom uit de voeten, typisch Ricciotti. In 2019 won hij onze jaarlijkse arrangeerwedstrijd met Joepie Joepie, waarin hij het gelijknamige kinderliedje op een duivelse manier totaal laat ontsporen. Hij gebruikt kwarttonen, weeft het Dies Irae-motief door de noten maar toch blijft het thema herkenbaar, het is meer een gloednieuw stuk dan een arrangement. Ook dat verschijnt op de cd.’

Maar het echte lijflied van het Ricciotti Ensemble is De gepikte vogel dat Jurriaan Andriessen in 1974 componeerde. ‘Het is een superenergieke mix van jazz en klassiek die we elke zomertournee spelen. – Uit het hoofd wel te verstaan, ook de nieuwkomers. Er zijn inmiddels al heel wat verschillende arrangementen van gemaakt, maar het gaat dus altijd mee. We spelen De gepikte vogel aan het eind van een optreden en de musici larderen dat met allerhande acts.’

Die bedenken ze zelf: ‘Ik weet van niets. Het kan maar zo zijn dat er plots iemand een goocheltruc gaat uitvoeren, een dansje doet of een woeste solo inzet. Niets is te gek en ik word er net zo door verrast als het publiek. Dat is het mooie van het Ricciotti: we grossieren in onmogelijkheden.’

Chiel Meijering

Chiel Meijering (1954): ‘Je merkte genadeloos als het publiek wegzapte’

Meijering speelde van circa 1976 tot 1981 slagwerk in het Ricciotti Ensemble en ging er al vrij snel stukken voor componeren. ‘Die werden meestal onmiddellijk gespeeld, want Jurr Naessens en Wim Witteman stonden erg open voor nieuwe muziek met een popinvloed.’ Hij hield wel rekening met de omstandigheden: ‘Als je buiten speelt is er veel herrie en afleiding, dus je moet je luisteraar meteen grijpen en zien vast te houden. Dat doe je met korte, pakkende composities.’

Het was een laboratorium van mogelijkheden, zegt Meijering: ‘Omdat ik schreef voor medemuzikanten van wisselend niveau, zelf meespeelde en geconfronteerd werd met een al dan niet geïnteresseerd straatpubliek, werd ik gestimuleerd beter en effectiever te componeren. Zo maakte ik het aanvankelijk ritmisch te ingewikkeld.’ Het Ricciotti was bovendien een goede leerschool om een stuk te toetsen aan de praktijk: ‘Je merkte genadeloos als het publiek qua aandacht wegzapte.’

Zijn ervaring met het Ricciotti was ook gunstig voor zijn carrière: ‘Een aantal stukken is doorgesijpeld naar het orkestrepertoire. Musici die later in orkesten gingen spelen noemden daar bijvoorbeeld mijn naam en Bas Wiegers nam mijn muziek mee naar het Gelders Orkest.’

Gevraagd naar een ‘typisch Ricciotti-stuk’ noemt hij onmiddellijk Stringslip uit 1984. ‘Ik woonde in de Amsterdamse Pijp, waar ik veel Turkse en Marokkaanse muziek hoorde. Dat keert terug in de sterke strijkersgroove aan het begin en de unisono gespeelde melodielijnen, die je ook wel bij Egyptische orkesten hoort. Met het vleugje erotiek wilde ik de klassieke muzikanten wat losser maken en meer laten swingen. – Ik hoopte zelfs op een buikdanseres, maar voor zover ik weet is die er nooit gekomen.’

Leonard Evers

Leonard Evers (1985): ‘Ricciotti was voor mij een heerlijke proeftuin’

Van 2007 tot 2010 was Leonard Evers trompettist in het Ricciotti Ensemble. ‘Ik studeerde al compositie en ging meteen stukken arrangeren en componeren, voor elke tournee één. Het was een ongekende luxe om drie keer per jaar iets te kunnen schrijven voor volledig symfonieorkest. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd.’

Vooral wat betreft orkestratie, zegt Evers: ‘Je moet iets maken dat zowel op straat, in een gortdroog achterafzaaltje als in het Concertgebouw goed klinkt. Een fluisterstuk gaat niet werken. Tenzij je als orkest heel dicht op je publiek gaat staan, je moet dus precies weten voor welke context je componeert. Een explosief stuk kan in een gevangenis problemen opleveren. Het Ricciotti was voor mij een geweldige proeftuin.’

In 2008 schreef hij Pas de deux: ‘Een “loopstuk” voor de zomertournee door België en Frankrijk. Verdeeld in groepjes speelden de musici parafrasen van Belgische en Franse muziek. Ze liepen toe op een eenzame drummer, om vervolgens samen verder te trekken. Bij het Louvre trachtten beveiligers de stoet te stoppen, waarop de muzikanten zich telkens in nóg kleinere groepjes opsplitsten. Dat was hilarisch.’

Misschien het meest trots is hij op Boogienights@Zimmermann: ‘Een totaal idiote bewerking van Bachs Matthäus, die alle kanten opvliegt. Een elektrische gitaar scheurt dwars door het ‘Erbarme Dich’, een flugelhorn speelt ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ als bossa nova en het slotkoor is omgetoverd tot stampende discomuziek. Kortom, een typisch Ricciotti-stuk, dat geen enkel ander orkest kan spelen!’

Hugo Bouma in Rio de Janeiro (c) Wout Nooitgedacht

Hugo Bouma (1991): ‘De orkestratie moet tegen een stootje kunnen’

Sinds 2013 speelt Hugo Bouma altviool in het Ricciotti ensemble. ‘Ik vreesde dat drie jaarlijkse tournees te veel tijd en energie zouden kosten, temeer daar je zo dicht op het publiek speelt en uiteenlopende muzieksoorten moet beheersen – als Beethoven al gespeeld wordt, is dat niet als onwrikbaar museumstuk. Maar uiteindelijk bleek die musiceerhouding perfect te passen bij mijn idee van klassieke muziek als iets levends, los van vastgeschroefde conventies.’

Componeren en arrangeren deed hij daarvoor al: ‘Maar in het Ricciotti heb ik veel concrete dingen geleerd. Zoals spelen en arrangeren in verschillende (niet-westers-klassieke) stijlen, musiceren bij slecht licht, in rare opstellingen, lawaaiige omgevingen, met wegwaaiende bladmuziek cetera.’

Een typisch Ricciotti-stuk moet qua orkestratie tegen een stootje kunnen: ‘De akoestiek is zelden optimaal, de concentratie van de musici niet altijd 100% en soms valt er een speler uit. Subtiele details gaan dan verloren, wat ikzelf vaker heb ondervonden. Ook actgevoeligheid is belangrijk: valt er iets theatraals mee te doen. Dat kan als de partijen eenvoudig uit het hoofd te leren zijn.’     

In 2019 won hij de arrangeerwedstrijd met Joepie Joepie. ‘Dat was eigenlijk voor 95% een nieuwe compositie en qua virtuositeit op het randje van wat het Ricciotti aankan. Zo zijn kwarttonen in 20e-eeuwse muziek weliswaar gangbaar, maar hadden we ze nog nooit gespeeld met het orkest. Ik heb bovendien contrapuntische fratsen uitgehaald en het Dies Irae in twee verschillende tempi onder de Joepie Joepie-melodie gezet. De boel lijkt totaal te ontsporen, maar toch “klopt” het theoretisch helemaal.’

‘Het is misschien niet mijn meest Ricciottiaanse stuk, maar wel een fantastisch visitekaartje.’


Foto: Ricciotti ensemble tijdens 60-jarig jubileum van Jong Talent Concours Maassluis, 2019

Auteur: Thea Derks

Thea Derks is muziekpublicist, gespecialiseerd in moderne muziek. In 1996 voltooide zij cum laude haar studie muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. In 2014 publiceerde zij de veeleprezen biografie Reinbert de Leeuw: mens of melodie (in 2020 voor de derde druk aangevuld met 2 extra hoofdstukken). In 2018 verscheen 'Een os op het dak: moderne muziek na 1900 in vogelvlucht', volgens velen een 'must-have voor elke muziekliefhebber'.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s