Wo ist das Weib? – De vrouw in Het Concertgebouw 1888-2022

Op 8 maart is het Internationale Vrouwendag. Een goede aanleiding om eens te onderzoeken hoeveel en welke vrouwen sinds de oprichting in 1888 van het oncertgebouworkest en Het Concertgebouw aan bod zijn gekomen.

Tot voor kort rukten ensembles en orkesten op vrouwendag wat stukken van vrouwelijke componisten uit de kast, om deze daarna weer diep in de onderste lade op te bergen. Mede door de derde feministische golf en de #MeToo-beweging lijkt er eindelijk een kentering op gang te komen. Ook vrouwelijke musici en dirigenten zijn inmiddels geen uitzondering meer.

Al vrij kort na zijn ontstaan werd het Concertgebouworkest door dames geleid

In 2005 ronkte dagblad Trouw dat Marin Alsop (1956) in het nieuwe seizoen als ‘eerste vrouw in de honderdtwintigjarige geschiedenis’ het Concertgebouworkest zou dirigeren. Dat was iets te stellig, want al vrij kort na zijn ontstaan werd het orkest verschillende malen door dames geleid. Als eerste stond in 1890 de Belgische Juliette Folville (1870-1946) op de bok, in een uitvoering van haar eigen Scènes champêtres; ze was tevens solist in het Pianoconcert van Grieg.

Juliette_Folville (c) Marie Madeleine Gérard

De recensent van het tijdschrift Caecilia vond dat dirigeren maar niks: ‘Het [heeft] mij bewezen, dat hoever de emancipatie der vrouw ook mogen gaan, het voor de gratie dezer aanbedenen niet wenschelijk is, dat dit voorbeeld navolging vinde.’ Nog afkeurender was de scribent van het Algemeen Handelsblad: “65 bekwame musici in het openbaar overgelaten aan het welbehagen eener jeugdige vrouw! Neen, dat was al te erg.’

Toch dirigeerde zeven jaar later ook Cornélie van Oosterzee (1863-1943) de ‘bekwame musici’ in een selectie uit haar Könings-Idyllen. In 1898 voerde ze hen door haar Cantate, met de vermaarde sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius als een van de solisten. Haar generatiegenoot Catharina van Rennes (1858-1940) dirigeerde het orkest in 1905 en 1915 in werken van eigen hand.

Pas een kleine eeuw later stond opnieuw een vrouwelijke dirigent op de bok

Pas een kleine eeuw later stond bij het Concertgebouworkest opnieuw een vrouwelijke dirigent op de bok, toen Marin Alsop in 2006 een geheel aan Sjostakovitsj gewijd programma presenteerde. Tot nu toe bleef het bij die ene keer. De Finse Susanna Mälkki (1969) leidde sindsdien drie verschillende programma’s; de Chinese Xian Zhang (1973) dirigeerde er twee; haar collega Elim Chan (1986) uit Hong Kong lijkt met vier concerten een orkestlieveling lijkt te zijn. Grote namen als Sian Edwards, Karina Canellakis en Mirga Gražinytė-Tyla ontbreken, maar traden wel op in Het Concertgebouw, bijvooorbeeld in de Eigen Programmering, Het Zondagochtend Concert en de NTR ZaterdagMatinee.

Van meet af aan speelden vrouwelijke componisten eigen werk met het Concertgebouworkest. Henriëtte Bosmans (1895-1952) was tussen 1916 en 1948 vele malen te gast, waaronder zeven keer in haar eigen Concertino. In 1918 verdedigde Annie Mesritz-van Veldhuizen haar Pianoconcert onder Willem Mengelberg, die ook haar orkestlied De stal dirigeerde. Waar tegenwoordig de roep om musici en componisten van kleur steeds luider klinkt, speelde de Surinaams-Nederlandse pianist Majoie Hajary al in 1944 – midden in de Tweede Wereldoorlog – haar Hindoestaanse fantasie met het Concertgebouworkest.

Majoie Hajary

Desondanks bleven en blijven vrouwelijke componisten zwaar ondervertegenwoordigd. Begin twintigste eeuw klonk nog muziek van onder anderen Elisabeth Kuyper (1912 en 1913); Jeanne Beijerman-Walraven (1913 en 1921); Rosy Wertheim (1916) Lili Boulanger (1927) en Germaine Tailleferre (1933), maar daarna droogde de stroom zo’n beetje op. Componisten als Louise Farrenc, Amy Beach, Ethel Smyth en onze eigen Tera de Marez Oyens bleven tot op heden ongespeeld; van de Poolse Grazyna Bacewicz klonk in al die jaren slechts één enkel werk, Muziek voor strijkorkest, vijf trompetten en slagwerk in 1962. Zo vooruitstrevend waren die jaren 60-70 niet.

Enkele daadkrachtige vrouwen bestormden begin twintigste eeuw het mannenbastion van de klassieke muziek

Enkele daadkrachtige vrouwen bestormden begin twintigste eeuw het mannenbastion van de klassieke muziek. Zo richtte Elisabeth Kuyper (1877-1953) vanaf 1910 verschillende vrouwenorkesten op, die weliswaar artistiek succes oogstten maar sneuvelden door een gebrek aan fondsen. Na een opnieuw mislukt avontuur in Amerika trok ze zich eind jaren twintig terug in een dorpje in Zwitserland.

Frieda Belinfante (1904-1995), cellist/dirigent en enige jaren de partner van Henriëtte Bosmans, formeerde in 1938 Het Kleine Orkest, waarmee ze ook in Het Concertgebouw concerteerde. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, gooide ook zij de handdoek in de ring; er waren veel joden onder haar musici. In 1954 werd zij chef-dirigent van het Orange County Philharmonic Orchestra in Californië. Als eerste vrouw ter wereld kwam zij zo aan het hoofd kwam te staan van een professioneel orkest; het werd in 1962 opgeheven.

Door het voortdurende gedram van onderzoekers en musicologen, kwam er rond de recente eeuwwisseling meer aandacht voor vrouwelijke componisten, zij het schoorvoetend. Zo speelde het Concertgebouworkest in 1991 voor het eerst muziek van Sofia Goebaidoelina, maar duurde het tot 2008 voor Kaija Saariaho gehoord werd. Unsuk Chin kwam pas in 2020 aan bod; de Nederlandse Mayke Nas (1972) was met drie opdrachtwerken tussen 2006 en 2012 een welkome uitzondering.

In Het Concertgebouw is de situatie wat rooskleuriger. Vooral dankzij de NTR ZaterdagMatinee, waarin niet alleen bovengenoemde componisten geregeld te gast zijn, maar ook door het orkest veronachtzaamde dames als Calliope Tsoupaki, Olga Neuwirth of Carola Bauckholt. Zelfs áls het orkest geneigd is tips te honoreren betreffende bijvoorbeeld Vítězslava Kaprálová, Marie Jaëll of Zara Levina, blijken dirigenten en solisten vaak niet bereid hun werk uit te voeren. Liever brengen ze voor de zoveelste keer een stuk uit het ijzeren repertoire.

Tansy Davies (c) Rikard Osterlund

Door de #MeToo beweging lijkt er wat meer schot in de vrouwenzaak te komen, met premières van Franghiz-Ali Zadeh in 2017 en Lotta Wennäkoski in 2019. Een jaar later belooft Ulrike Niehoff bij haar aantreden als artistiek directeur van het Concertgebouworkest meer aandacht te zullen besteden aan vrouwelijke componisten. Inderdaad staat in 2022 na decennia weer een substantieel werk van Bosmans op de lessenaars, Concertstuk voor viool en orkest; in 2018 klonk al haar korte, maar indrukwekkende Doodenmarsch. Het Concertgebouw engageerde Tansy Davies in het seizoen 2018-2019 als composer in residence.

In 1888 bestond het Concertgebouworkest nog geheel uit mannen

Wat betreft uitvoerende musici lijkt de strijd inmiddels wel gestreden: niemand kijkt tegenwoordig meer op van een vrouwelijke slagwerker of koperblazer. In 1888 bestond het Concertgebouworkest nog geheel uit mannen; in 1904 drong de eerste vrouw tot de gelederen door, de harpiste Paula Fischer; zij kreeg illustere opvolgers als Rosa Spier en Phia Berghout. In het kielzog van Fischer volgden violistes, met als eerste Ellie Bijsterus Heemskerk in 1914. Blazers kwamen pas veel later in beeld; in 1950 werd Gloria Solloway aangesteld als fagottist.

Wie het jubileumboek bij het eeuwfeest in 1988 doorvlooit, constateert dat in die honderd jaar ruim vijfhonderd mannelijke en vijftig vrouwelijke musici actief waren in het orkest. Toch nog een score van één op tien. Tegenwoordig telt het orkest honderdtwintig musici, in een verhouding van grofweg veertig vrouwen om tachtig mannen.

Opvallend genoeg is de verdeling nog altijd behoorlijk traditioneel: dames zijn oververtegenwoordigd bij de eerste en tweede violen. Bij de houtblazers is de verdeling ongeveer fiftyfifty, maar koperblazers, paukenisten en slagwerkers zijn uitsluitend mannen. En net als ruim honderd jaar geleden wordt de harp bespeeld door vrouwen.

Kortom, we zijn op de goede weg, maar die is nog lang…

Ik schreef dit artikel op verzoek van het Concertgebouw; het verscheen op 7 maart 2022 online, in de rubriek ‘verdieping’.

Auteur: Thea Derks

Thea Derks is muziekpublicist, gespecialiseerd in moderne muziek. In 1996 voltooide zij cum laude haar studie muziekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. In 2014 publiceerde zij de veelgeprezen biografie Reinbert de Leeuw: mens of melodie (in 2020 voor de derde druk aangevuld met 2 extra hoofdstukken). In 2018 verscheen 'Een os op het dak: moderne muziek na 1900 in vogelvlucht', volgens velen een 'must-have voor elke muziekliefhebber'.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: